vrijdag 29 mei 2026

Crooswijk, terugdenken aan die oude volksbuurt !!

Er zijn van die wijken die je niet uitlegt. Maar die voel je. Het oude Crooswijk in Rotterdam was zo’n wijk.

Niet netjes. Niet gelikt. Niet perfect. Maar levend. Man, wat leefde die wijk. Als je vroeger door Crooswijk liep, hoorde je overal geluid. Geen stilte zoals nu tussen de strak gestucte nieuwbouwblokken en design-gordijnen. Nee, vroeger hoorde je geroep uit open ramen, het geratel van gammele boodschappenkarren, een radio die ergens keihard muziek liet horen en moeders die vanaf drie hoog schreeuwden: "Henkie! Naar boven nou! Je vreten wordt koud joh!"

En Henkie? Die hoorde dat natuurlijk wel. Maar die was nog effe aan het voetballen. Want in oud-Crooswijk speelde je buiten. Altijd. Tot de lantaarnpalen aangingen. Tot je knieën openlagen. Of tot iemand begon te janken omdat-ie een bal tegen z’n harses kreeg. In Crooswijk kende iedereen elkaar. Of je dat nou leuk vond of niet.

De vrouwen zaten voor de deur op klapstoeltjes te “beppen”. Urenlang. Gewoon buurtnieuws uitwisselen alsof het een live-uitzending van Radio Rijnmond was. "Heb je dat gehoord van dat wijf op nummer 38 dan?" En voor je het in de gaten had, wist de halve wijk het ook.

Er werd geleefd op straat. Kinderen krijtten stoepen vol. Mannen sleutelden aan auto’s waar eigenlijk geen redden meer aan was. Het wasgoed werd buiten te drogen gehangen. En er werd gescholden, gelachen, gerookt en geroddeld. En altijd dat heerlijke oer-Rotterdamse taalgebruik. "Niet lulle maar poetsen." Of, "Doe normaal joh mafkees." En ook soms grof in de trend van "Ken je de pleuris effe ergens anders krijgen dan?"

Tegenwoordig noemen ze dat “rauwe authenticiteit”. Toen noemden we dat gewoon: typisch Crooswijks.

En dan had je natuurlijk de legendarische wielerronde van Crooswijk. Voor buitenstaanders misschien gewoon een lokaal wielerevenement. Maar voor Crooswijk? Dat was het WK, de Tour en de Olympische Spelen tegelijk. De hele wijk liep uit. Stoeltjes langs de kant. Kinderen met ijsjes. Ooms die al sinds elf uur bier stonden te drinken alsof ze zelf moesten fietsen. Iedereen kende wel iemand die “bijna gewonnen had” in een bepaald jaar.

Het hoorde bij de wijk. Zoals Feyenoord bij Rotterdam hoort. Of zoals de ouwe temeier bij Katendrecht hoort. En wie Crooswijk kent, weet: kerst was daar geen vredesfeest. Nee joh. Dat waren de beroemde kerstboomgevechten. Complete veldslagen tussen verschillende stukken van de wijk. Kerstbomen vlogen door de lucht alsof het middeleeuwse speren waren. Jongens renden door de straten. Vuren op pleinen. Sirenes in de verte. Iedereen opgefokt. En toch, hoe gek het ook klinkt, er zat daar iets prachtigs in.

Het was namelijk van de wijk. Van de mensen. Van samen opgroeien. En met rivaliteit tussen straten. Nu zou de gemeente er waarschijnlijk een projectgroep, drie buurtcoaches en een duurzaamheidspanel op zetten. Maar toen zei iemand gewoon: "Ach joh, laat die gasten effe uitrazen."

Maar langzaam veranderde Crooswijk. Eerst een paar huizen plat. Toen nieuwbouw. Toen nog meer nieuwbouw. De oude bruine cafés verdwenen. De snackbars waar je friet haalde met veel te veel mayo maakten plaats voor hippe koffietentjes waar je acht euro betaalt voor een cappuccino met havermelk. De arbeiders trokken weg. De huren gingen omhoog. En ineens reden er bakfietsen door straten waar vroeger opgevoerde scooters en brommers stonden.

Nu lopen er yuppen met canvas tassen en biologische etenswaren langs plekken waar vroeger kinderen met kapotte voetballen speelden. En begrijp me niet verkeerd: die nieuwe huizen zijn mooi. Netjes. Schoon. Veilig. Maar soms voelt het alsof Crooswijk z’n ziel een beetje heeft ingeruild voor strak straatwerk en zonnepanelen. Want wat verdwenen is, krijg je niet zomaar terug. Je kan huizen slopen en nieuwe bouwen. Je kan gevels opknappen. Je kan de wijk moderner maken. Maar die oude sfeer? Dat rauwe Rotterdamse hart? Dat bouw je niet in beton.

Dat zat in de mensen. In de humor. In het harde praten dat eigenlijk liefde was. In kinderen die samen opgroeiden op straat. In buren die ongevraagd op je letten. In ruzies die vijf minuten later alweer voorbij waren. Oud-Crooswijk was misschien niet perfect. Verre van zelfs. Maar het had iets wat steeds zeldzamer wordt: namelijk echte volkswijkwarmte.

En soms, als je goed luistert in een stille straat tussen de nieuwbouw, hoor je het bijna nog. Een stem uit een open raam. "Hé pikkie… kom je nog naar huis of wat?"

Quote: Denk alleen maar aan het verleden als dat je enorm veel plezier geeft !! 

donderdag 21 mei 2026

Van stoeprand tot smartphone:hoe de jeugd veranderd is !


Vroeger, toen ik ook nog een jong kereltje was, hoorde je de kinderen al voordat je ze zag. Tegenwoordig zie je ze eerder voordat je ze hoort, omdat ze met gebogen nek op een smartphone staren alsof daar de grootste geheimen van de wereld op staan. En tja, misschien staan ze daar ook wel op. Maar vroeger? Vroeger hield de jeugd zich met heel andere dingen bezig.

Neem nou stoepranden. Dat was eigenlijk topsport zonder dat je er voor betaald werd. Twee kinderen, een bal en een stoeprand waren voldoende voor uren (ont)spanning. Je gooide die bal alsof je meedeed aan het WK Stoepwerpen. Raakte je de rand en kwam de bal terug. Dan voelde je je even Johan Cruijff met superkrachten.

En dan tikkertje spelen. Dat was geen spelletje, dat was pure cardio. Tegenwoordig betalen mensen 70 euro per maand voor een sportschool om op een loopband te rennen. Wij deden het in onze jeugd gratis, achtervolgd door een bezweet buurjongetje dat “JIJ BENT ‘M!” schreeuwde alsof hij een arrestatieteam leidde.

Ook legendarisch was: het alom bekende putje loop. Geen idee waarom het zo heette, maar iedereen kende de regels. Tenminste… een soort van. Elke wijk of stad had zijn eigen versie en ruzie hoorde er natuurlijk bij. “Nee joh, je voet stond op de lijn!” Dat waren de VAR-momenten van vroeger.

Voor de meisjes was er natuurlijk elastiekentwist. Twee meisjes hielden een elastiek strak tussen hun benen en een derde sprong alsof ze auditie deed voor een Olympische discipline die nooit op de internationale agenda heeft gestaan. Kniehoogte was nog te doen, maar zodra dat elastiek richting oksels ging, haakten de meeste jonge dames af met een lichte hamstringblessure.

En dan dat stoere cowboytje spelen. Tegenwoordig zouden ouders daar waarschijnlijk een hartberoerte van krijgen als hun kroost, :"sta of ik schiet" zou roepen, maar vroeger renden we met plastic pistolen door de straat terwijl iemand dramatisch van zijn fiets viel na een denkbeeldige kogel. “Jij bent dood!” “Nee, ik had een kogelvrij vest, of je hebt me gemist” werd er terug geroepen. De discussies duurden meestal langer dan het spel zelf.

Buiten voetballen deed je trouwens tot het echt donker werd. Niet omdat het mocht, maar omdat niemand zin had om naar binnen te gaan. Straatlantaarns gingen aan en ineens begon de Europacup finale tussen je vriendenclubje en iedereen anders die nog buiten was. Een jas op de grond was een doelpaal en de buurman die klaagde over de bal tegen zijn schutting was standaard de scheidsrechter zonder fluit.

En vissen met een bamboe hengel. Urenlang naar een dobbertje kijken alsof het Netflix was. Geen wifi, geen meldingen, alleen muggen en geduld. Heel veel geduld. En verder, denk ook eens aan spelletjes als: touwtje springen, op stelten lopen, knikkeren, Annemarie koekoek, tikkertje en schipper mag ik overvaren om nog maar eens een aantal populaire spelletjes te noemen. 

En nu? Nu zit de jeugd binnen te gamen met iemand uit Canada terwijl ze tegelijk op TikTok kijken hoe iemand anders gamet. Buiten hangen gebeurt ook nog, maar vaak op een hangplek waar iedereen zwijgend naast elkaar zit… iedereen verdiept in zijn eigen scherm. Vervelen heet tegenwoordig “mijn batterij is leeg”.

Waar wij vroeger thuiskwamen met kapotte knieën, grasvlekken en een bal onder de arm, komen kinderen nu thuis met 4% batterij voorraad en mentale schade van een verloren potje online gaming.

Toch heeft elke generatie zijn eigen charme. Wij hadden stoepranden en elastiekentwist. Zij hebben VR-brillen en Fortnite-dansen. Maar eerlijk is eerlijk: als je vroeger een update nodig had, dan was het hooguit een nieuwe bal, maar echt geen wachtwoord reset.

Quote: In ieder mens is een kind verscholen dat wil spelen !!

vrijdag 15 mei 2026

Katendrecht, toen matrozen het straatbeeld bepaalden !!

Er was een tijd dat je op Katendrecht niet hoefde te vragen waar het leven zat. Dat hoorde je vanzelf. Uit de kroegen. Uit de havens. Uit de schorre stem van een zeeman die om drie uur ’s nachts “Ketelbinkie” stond te zingen terwijl hij straalbezopen tegen een lantaarnpaal hing.

Katendrecht, of gewoon De Kaap, was tot en met de jaren 70/80 van de vorige eeuw een wereld op zichzelf. Geen keurige stadswijk met cappuccino’s van zes euro en bakfietsen op de stoep, maar een buurt van havenarbeiders, zeelieden, gokhallen, danscafés en dames achter rode gordijnen. Een plek waar je als keurige boekhouder uit Kralingen na negen uur ’s avonds liever niet alleen ging wandelen.

En toch: het was er best gezellig.

Dat klinkt vreemd voor buitenstaanders, maar Rotterdammers begrepen het wel. De Kaap had regels. Onuitgesproken regels. Je bemoeide je met niemand zolang niemand zich met jou bemoeide. Had je een grote mond? Dat was prima, maar iemand lastig vallen? Ff wachten, dan kreeg je de halve straat achter je aan.

De zeelieden kwamen van overal uit de wereld. Schepen lagen dagenlang in de haven en de mannen zochten vertier. Dat vonden ze op Katendrecht. In kroegen waar de vloer plakte van het bier en waar rookwolken zo dik hingen dat je je eigen vrouw niet meer zou herkennen, wat voor sommige bezoekers misschien ook precies de bedoeling was.

De prostituees waren vaak bijzondere vrouwen met specifieke Rotterdamse humor. Geen glamour zoals in films. Meer van “Niet lullen, maar betalen.” Ze kenden de buurt, de klanten en vaak ook de politie. En opvallend genoeg heerste er een soort praktische eerlijkheid. Iedereen wist wat er gebeurde. Niemand deed alsof.

De pooier van het oude Katendrecht was meestal geen filmachtige gangster met een gouden wandelstok en een limousine voor de deur. In werkelijkheid ging het vaak om mannen uit de havenbuurten zelf: straatwijze figuren met een scherp oog voor geld, status en aanzien binnen de wijk. Bij dat imago hoorde vaak een leren jas, glimmende puntschoenen, veel haarvet en een sigaret tussen de vingers. Ze stonden urenlang voor cafés of portieken, altijd kijkend wie er binnenkwam en wie teveel praatjes kreeg. Hun taal was direct, Rotterdams hard, maar zelden overdreven chic. Dus meer een havenmentaliteit dan een Hollywood stijl. 

En dan die Rotterdamse mentaliteit. Die zat overal in. Niet zeuren, maar werken. Geen toneelspel en geen kapsones. Zelfs in de rosse buurt bleef dat voelbaar. De mensen op De Kaap waren direct, soms dus hard, maar meestal recht door zee. Als iemand zonder geld zat, kreeg-ie soms gewoon een bord eten. Maar als je jezelf aanstelde, werd je genadeloos uitgelachen.

Maar vanaf de jaren 80 begon alles langzaam te veranderen. De haven verschoof richting Europoort en Maasvlakte. De zeelieden bleven korter aan wal en de prostitutie verhuisde naar andere delen van de stad of verdween achter de ramen. De criminaliteit werd harder en minder “buurtachtig”. En daarna kwam de grote schoonmaak.

Projectontwikkelaars ontdekten ineens wat Rotterdammers allang wisten: Katendrecht lag eigenlijk fantastisch. Dicht bij het centrum, aan het water, vol karakter. Dus kwamen de hippe tenten, de dure appartementen en de wijnbars waar vroeger nachtclubs zaten. Tegenwoordig wandelen stelletjes hand in hand langs de kade en genietend van elkaar. Niks mis mee natuurlijk. De wijk leeft nog steeds. Alleen anders.

Maar oude Rotterdammers weten het nog. Soms hoor je het in een café, als iemand zegt: “Jij had De Kaap vroeger moeten meemaken.” En dan valt er even zo’n glimlach. Zo eentje van iemand die weet dat Rotterdam ooit een stuk rauwer was, maar misschien ook net een beetje echter.

Quote: Katendrecht : van karakteristieke rosse buurt vroeger, naar moderne hotspot nu !! 

vrijdag 8 mei 2026

Die oude gezellige weekmarkt in Rotterdam !!

Vroeger, toen ik nog haar tot op mijn schouders had en de wereld nog overzichtelijk was (lees: toen iedereen gewoon “goedemorgen” zei in hetzelfde taaltje), had ik een heilige traditie: elke zaterdag naar de centrummarkt in Rotterdam. 

Dat was geen uitje, maar meer een belevenis waar je met plezier naar uitkeek. Het was er druk , maar erg gezellig en waar je voor een paar gulden (ja, gulden!) je tas vol kon gooien met kaas, stroopwafels en een bos bloemen waar je partner spontaan van ging stralen. En als bonus kreeg je dus die gratis gezelligheid erbij. Van die echte, Rotterdamse gezelligheid. Direct, een beetje brutaal, maar altijd met een knipoog. 

 “Voor jou, kerel, doe ik er nog eentje extra bij!” riep de groenteboer dan. En voor je het wist had je vijf kilo aardappelen gekocht terwijl je alleen voor een komkommer kwam. 

En nu, zo’n 30 à 40 jaar later… 

Ik dacht laatst: laat ik die goeie ouwe tijd eens herbeleven. Dus ik stap vol goede moed in de auto en rij richting centrum. Foutje nummer één. Tegen de tijd dat ik überhaupt een parkeerplek had gevonden, was ik bijna al een halve dag onderweg geweest. Parkeren in het centrum is tegenwoordig nauwelijks nog mogelijk en als je toch een plekje weet te vinden, nou dan loop je werkelijk helemaal leeg op de bizar hoge parkeerkosten. 

Maar goed, ik zet door. Want nostalgie is een krachtig iets. Eenmaal aangekomen op de markt keek ik om me heen en dacht ik serieus even dat ik per ongeluk op Rotterdam Airport was aangekomen. Overal hoorde ik talen waarvan ik niet eens wist dat ze bestonden. Links van me klonk iets Scandinavisch, rechts iets Oost-Europees, en ergens achter me hoorde ik een gesprek dat net zo goed een ruzie, een liefdesverklaring of een bestelling van zes kippen had kunnen zijn. Ik voelde me ineens toerist in mijn eigen stad.

Bij een groentekraam besloot ik dapper een poging te wagen. “Wat kosten die tomaten?” vroeg ik vriendelijk. De verkoper glimlachte breed en antwoordde iets dat ongeveer klonk als: “Shalabadoem zesvijftien wallah paprika!” Ik verstond er werkelijk geen woord van. Uit pure paniek knikte ik maar vriendelijk alsof ik precies begreep wat hij bedoelde. Vijf minuten later liep ik weg met: een bak druiven, een tros bananen, iets wat mogelijk een mango was en een bonnetje waarvan ik vermoed dat ik er nog twaalf maanden voor aan het afbetalen ben.

En inderdaad, dan die prijzen… mijn hemel. Vroeger ging je met een tientje de markt op en kwam je thuis als een koning. Herinneren jullie nog de slogan: "Op de markt is je gulden een daalder waard". Nu heb je het gevoel dat je een kleine investering hebt gedaan in de internationale economie, terwijl je alleen een zak appels hebt gekocht. En die beroemde Rotterdamse gezelligheid? Die lijkt ergens onderweg te zijn blijven hangen, waarschijnlijk bij dezelfde parkeerautomaat waar mijn spaargeld in is verdwenen. Begrijp me niet verkeerd: de stad leeft, bruist en zit vol energie. Maar het is een andere energie. Minder van “hé maat, hoe is het?” en meer van “volgende klant alstublieft, en snel snel”. 

Misschien ligt het aan mij. Misschien ben ik gewoon veranderd. Of misschien… en dat zeg ik heel voorzichtig… was het vroeger gewoon net een tikkeltje leuker. Maar één ding weet ik zeker: die oude zaterdagen, met hun chaos, koopjes en ongecompliceerde gezelligheid, die krijg je nooit meer terug. 

En misschien is het maar goed ook. Want anders zou ik elke week weer met vijf kilo aardappelen thuiskomen… terwijl ik nog steeds geen idee heb wat ik ermee moet doen.

Quote: De markt van vroeger, nostalgie van de mooiste soort !!


vrijdag 1 mei 2026

Mijn glorieuze carrière voordat ik echt met werken begon !


Er zijn mensen die zeggen dat hun loopbaan begon met een strak cv, een ambitieus vijfjarenplan en een LinkedIn-profiel. Mijn loopbaan begon met modder aan mijn schoenen, slaap in mijn ogen en een tomaat die verdacht veel op mijn ochtendhumeur leek.

Als puber, nog ergens tussen de lagere school en middelbare school in, had ik namelijk al een indrukwekkend portfolio opgebouwd: bonenplukker, tomatenkneus (onofficiële functietitel), horecaheld en mijn persoonlijke favoriet, pompbediende met een creatieve interpretatie van brandstoffen.

Mijn eerste baantje begon op een tijdstip waarvan ik toen dacht dat alleen bakkers en gekken wakker waren, dus belachelijk vroeg. Daar stond ik dan, half slapend tussen de bonen en tomaten. Het idee was simpel, plukken wat rijp was. De uitvoering, tja dat was iets minder. Ik plukte enthousiast alles wat los en vast zat. Groen, rood, twijfelachtig geel, zo beetje alles ging in mijn mandje.

De boer keek soms alsof hij een natuurdocumentaire zag waarin een onbekend dier zijn oogst verwoestte. Maar goed, ik werkte hard. En voor een schamel loontje leerde ik vooral dat geld niet vanzelf groeit… behalve dan die bonen en tomaten, maar daar moest je dus eerst ver voor vijf uur je bed voor uit.

Alsof dat nog niet genoeg karaktervorming was, besloot ik mijn talenten uit te breiden in de horeca. Bij de toenmalige hamburgertent Wimpy. Ik was zo groen als gras en dat gold niet alleen voor mijn ervaring, maar ook voor mijn vermogen om stress te verwerken.

Bestellingen vlogen me om de oren. “Twee hamburgers, friet en een milkshake!” Prima. Ik enthousiast aan de slag, maar in de hectiek kreeg je: één hamburger, drie frietjes en een cola. Of andersom. Toch vond ik het fantastisch. Het tempo, de geur van friet, en het gevoel dat je, ondanks totale chaos, onderdeel was van iets groots. Of in elk geval iets vets.

En toen kwam mijn absolute topfunctie, ik ging als bijbaantje aan de slag als pompbediende. Ja, dat bestond toen nog. Mensen reden in hun autootje naar je toe, en jij deed de rest. Klinkt simpel, toch?

Nou… laten we zeggen dat ik de brandstofkeuze soms zag als een vrijblijvende suggestie. Diesel, benzine, ach, het zijn allebei vloeistoffen. Wat kon er misgaan? Meer dan je denkt. Ik vergiste me soms wel eens, zodat een auto met een benzine motor niet meer verder kon rijden omdat ik diesel in zijn tank had gegooid. Tja, alle begin is moeilijk, dat ondervond ik toen al.

Maar hier komt het wonderlijke: ondanks mijn “creatieve invulling” van het vak, verdiende ik bakken met fooi. Blijkbaar vonden mensen mijn enthousiasme belangrijker dan hun motor. Of ze hadden gewoon medelijden. Hoe dan ook: ik ging naar huis met een goed gevulde portemonnee, maar wel met een licht schuldgevoel.

En dat alles voor een loon waar je tegenwoordig nog geen cappuccino van bestelt. Maar eerlijk is eerlijk: ik leerde wel wat. Op tijd komen (of in elk geval proberen), aanpakken, fouten maken en daar min of meer van leren.

Als ik nu kijk naar de huidige generatie jongeren (ik generaliseer een beetje, want dit geldt gelukkig niet voor alle jongeren), dan lijkt het soms alsof alles net iets zachter is geworden. Alsof het leven standaard met zijwieltjes wordt geleverd. Begrijp me niet verkeerd: vooruitgang is mooi. Maar een beetje vroeg opstaan, vieze handen krijgen en werken voor je geld… dat vormt je toch op een manier die geen app kan vervangen.

En zeg nou zelf: hoeveel mensen kunnen later zeggen dat ze ooit een auto hebben volgetankt met complete overtuiging… en compleet met de verkeerde brandstof !

Quote: Elke mislukking is een les, als je niet bereid bent te falen, zal je ook nooit slagen !!